Hoofd Menu

TWEEDE KAMERVERKIEZINGEN 15 MAART 2017

 

De Cannabis-Kieswijzer is sinds jaren de site over alles wat met verkiezingen enerzijds en anderzijds met cannabis en softdrugsbeleid te maken heeft. Van Europese Parlementsverkiezingen, Eerste Kamer-, Tweede Kamer-, Provinciale Staten- tot aan Raadsverkiezingen. Daarnaast tref je Kamervragen en nieuws of achtergrondartikelen aan; met bijvoorbeeld overzichten van standpunten van verschillende politieke partijen over cannabisbeleid of het stemgedrag van partijen.

Ook berichten we over het experiment gesloten coffeeshopketen. De deadline van 10 juni 2019 is inmiddels verstreken.

 

EXPERIMENT JAexperiment ja

 

 EXPERIMENT NEEexperiment nee

 

EXPERIMENT ONBESLIST091914 MarijuanaYesNo fitbox 1000x1000

 

We hopen dat deze informatie helpt ter oriëntatie om tot een scherpere gedachtevorming te komen over de ontwikkelingen in en van softdrugsbeleid of om bij verschillende verkiezingen mede te kunnen bepalen op welke politieke partij te stemmen.



 

Internationaal recht en cannabis I

 

(Prof. van Kempen)

Internationaal recht en cannabis I

Prof. van Kempen en dr. Fedorova van de Radboud Universiteit schreven n.a.v kamer-debatten over door gemeenten ingediende reguleringsvoorstellen van de achterdeur een beoordeling op basis van VN-drugsverdragen en EU-drugsregelgeving van gemeentelijke en buitenlandse opvattingen pro regulering van cannabisteelt voor recreatief gebruik. Dit onderzoekstraject werd begeleid vanuit de WODC, waar na de uitzending van Nieuwsuur over de WODC-klokkenluiderskwestie veel over te doen is.


Hoe overheden om dienen te gaan met teelt van cannabis t.b.v de bevoorrading van coffeeshops is een juridisch, maatschappelijk en politiek moeilijke maar relevante vraag. Datzelfde geldt voor gezamenlijke teelt en consumptie in zogenoemde Cannabis Social Clubs. (CSC’s). De vraag die in dit onderzoek centraal staat is: Of het legaliseren, decriminaliseren, beleidsmatig gedogen en/of anderszins reguleren van cannabisteelt voor recreatief gebruik toelaatbaar is onder het internationale recht. Daarbij richt de toetsing zich ook op de vraag in hoeverre argumenten en plannen van Nederlandse gemeenten en buitenlandse initiatieven betreffende de regulering van cannabisteelt voor recreatief gebruik zich verhouden tot; het VN Enkelvoudig Verdrag 1961 zoals gewijzigd bij Protocol van 1972, het VN Sluikhandel Verdrag 1988 (EU Schengenacquis), het EU Gemeenschappelijk Optreden illegale drugshandel 1996 en het EU Kaderbesluit illegale drugshandel 2004. Bevindingen en opvattingen van de internationale organen die voor het toezicht op deze instrumenten zijn aangewezen komen bij deze juridische toets aan de orde en vervolgens zijn de gemeentelijke en buitenlandse initiatieven na een inventarisatie aan een strikt juridische analyse onderworpen vanuit de VN-drugsverdragen.
Doel van het VN-drugscontrolesysteem is het gebruik van verdovende middelen zoals cannabis te beperken tot enkel geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden. Het uitbannen van cannabis voor recreatief gebruik vormt, gelet op de preambules, de tekst, het systeem en de beraadslagingsgeschiedenis van de VN-drugsverdragen de ‘object and purpose’ van deze verdragen. Daaraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat dit de volksgezondheid en criminaliteitsbestrijding het meest adequaat dient, waarmee het toelaten van cannabisteelt voor recreatief gebruik (t.b.v bevoorrading van coffeeshops als via CSC’s) door het legaliseren, decriminaliseren, beleidsmatig gedogen en/of anderszins reguleren van zodanige teelt niet valt te verenigen. Die onverenigbaarheid is er eveneens met het Europees recht.
De EU-drugsinstrumenten hebben tot doel de illegale drugshandel aan te pakken en bevestigen en bouwen voort op de verplichtingen die reeds voor de lidstaten voortvloeien uit de VN-drugsverdragen via een prohibitief, repressief en meerlagig handhavingssysteem, dat een aanzienlijk scala van uiteenlopende strafrechtelijke, bestuurlijke en andersoortige verplichtingen aan de verdragspartijen oplegt. Daartoe behoren onder meer verplichtingen om mee te werken aan het stelsel van ramingen (dat er toe strekt dat er alleen en in voldoende mate verdovende middelen voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden beschikbaar zijn), algemene verplichtingen om onder meer cannabisteelt voor recreatieve doeleinden te bestrijden, de plicht om via strafbaarstellingen van gedragingen een totaalverbod te verwezenlijken op onder meer cannabisteelt gericht op recreatief gebruik, vervolgingsplichten die van toepassing zijn op cannabisteelt die niet-kleinschalig is en niet voor eigen persoonlijk gebruik is, een totaalverbod op bezit van cannabis voor recreatief gebruik, verplichtingen tot inbeslagneming van ook cannabis voor recreatief gebruik, en de plicht tot invoering van en medewerking aan het systeem van internationale strafrechtelijke samenwerking. Toepassing van al deze verplichtingen zou ertoe moeten leiden dat er geen verdovende middelen – inclusief cannabis – voor recreatief gebruik in omloop zijn. De Europeesrechtelijke verplichtingen m.b.t tot strafbaarstelling van cannabisteelt voor recreatief gebruik door derden sluiten hierbij aan, waarbij tegen die teelt de meest passende maatregelen genomen worden ter bestrijding ervan; Hierdoor is legalisering of decriminalisering van teelt van cannabis voor recreatief gebruik onder dit internationaal recht geen optie.
Door verschillende vervolgingsplichten die uit de VN-drugsverdragen en het Europees recht voortvloeien t.a.v in beginsel ernstige strafbare feiten, is het moeilijk verdedigbaar dat beleidsmatig niet-vervolgen (strafrechtelijk gedogen) van cannabisteelt voor aanvoer naar coffeeshops via het opportuniteitsbeginsel toelaatbaar zou zijn. Het voorbehoud dat Nederland formuleerde inzake artikel 3 lid 6 Sluikhandel Verdrag – en dus niet inzake het Enkelvoudig Verdrag, andere verplichtingen in het Sluikhandel Verdrag en het Europees recht – biedt voor Nederland eveneens onvoldoende ruimte om cannabisteelt ten behoeve van recreatief gebruik door derden beleidsmatig of anderszins te gedogen. Die conclusie vloeit voort uit de inhoud en achtergrond van het voorbehoud, het internationaal publiekrecht volgens hetwelk voorbehouden zijn gefixeerd ten opzichte van het recht zoals geldt op het moment van het formuleren ervan, de ‘object and purpose’ van het Sluik- handel Verdrag, en de opvatting van de International Narcotics Control Board (INCB) dat algemeen strafrechtelijk gedogen van niet op persoonlijk gebruik gerichte cannabisteelt voor recreatieve consumptie in strijd is met de drugsverdragen. Bovendien kan het strafrechtelijke opportuniteitsbeginsel niets afdoen aan verdragsverplichtingen tot strafbaarstelling of de niet-strafrechtelijke verdragsverplichtingen die op staten rusten vanwege de VN- drugsverdragen. Verder lijkt het redelijk te veronderstellen dat – gelet op de overwegingen van onder meer het Hof van Justitie EU – het EU Kaderbesluit illegale drugshandel in beginsel ook tot vervolging van grootschalige of op illegale handel gerichte cannabisteelt voor recreatief gebruik verplicht. Echter liggen de vervolgingsverplichtingen genuanceerder voor gezamenlijke teelt en consumptie via CSC’s, wat niet gelijk te stellen is met teelt voor eigen persoonlijk gebruik, maar het is daarmee zodanig verwant, dat staten de vrijheid hebben om op basis van opportuniteitsoverwegingen van vervolging ervoor af te zien. Dat ontslaat die staten evenwel niet van het toepassen van de andere, veelal niet- strafrechtelijke verplichtingen tot bestrijding van teelt en bezit van cannabis.


Ook zou er geen ruimte voor interpretatie zijn om cannabisteelt ten behoeve van recreatief gebruik onder de algemene exceptie van ‘geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden’ onder te brengen. De exceptie zou daarvoor veel te beperkt zijn, stellen van Kempen en Federova, en niet de volksgezondheid in zijn algemeenheid betreffen, zodat argumenten die inhouden dat legalisering, decriminalisering of regulering van de cannabismarkt voor recreatief gebruik tegemoet komt aan volksgezondheidsbelangen onder de internationale drugsverdragen. Dat verdragen daarmee een beperkte, eenzijdige en rigide benadering op volksgezondheidsbelangen laten zien doet aan deze conclusie niet af. Ook de INCB verzet zich tegen oprekking van de exceptie van geneeskundige doeleinden teneinde toegang tot cannabis voor recreatief gebruik te verschaffen, aldus van Kempen en Federova.


De toetsing van de gemeentelijke en buitenlandse argumenten en initiatieven voor regulering van cannabisteelt voor recreatief gebruik, bestaat uit drie onderdelen:
1. Uiteenzetting en beoordeling van de juridische argumenten.
2. feitelijke, maatschappelijke en/of politieke argumenten aan bod.
3. uiteenzetting en beoordeling van de verschillende reguleringsmodaliteiten zoals gemeenten deze voorstellen of in het buitenland toepassing vinden.


Ad1 De juridische argumenten zetten vooral in op verdragswijziging, verandering van de Lijsten bij het Enkelvoudig Verdrag, verdragsopzegging om vervolgens met formulering van een voorbehoud her toe te treden, toepassing van de exceptie ‘medisch en wetenschappelijk’ gebruik op volksgezondheidsbelangen en het hanteren van het opportuniteitsbeginsel. De conclusie luidt dat het toestaan van cannabisteelt ter bevoorrading van coffeeshops op basis van geen door de gemeenten gegeven juridische argumenten met in achtneming van de VN-drugsverdragen en de Europese drugsregelgeving valt vorm te geven.


Ad2 Bij de feitelijke, maatschappelijk en/of politieke argumenten komen de volksgezondheid en criminaliteitsbestrijding als belangrijkste belangen naar voren waaraan gereguleerde cannabisteelt tegemoet zou moeten komen. Veel argumenten reflecteren de vele problemen waarmee gemeenten rondom teelt, distributie, handel, verkoop, koop en gebruik van cannabis te maken hebben. Niettemin kunnen de argumenten inzake de volksgezondheid, de criminaliteitsbestrijding en de vervulling van andere maatschappelijke belangen, onder het internationaal recht juridisch geen legitimatie vormen voor het toelaten van cannabisteelt voor recreatief gebruik ten behoeve van de bevoorrading van coffeeshops of andere distributiepunten.


Ad3 Bij de verschillende reguleringsmodaliteiten gaat het onder meer om gereguleerde legalisering (Uruguay en de deelstaten Colorado en Washington), gezamenlijke teelt in CSC’s (België, Spanje en Uruguay), cannabisteelt door non-profit kwekers, cannabisteelt door commerciële partijen met vergunning, en cannabisteelt voor recreatief gebruik onder de sluier van medische of wetenschappelijke programma’s. De conclusie t.a.v al deze modaliteiten is dat het internationaalrechtelijk drugsbestrijdingskader geen ruimte laat voor het legaliseren, decriminaliseren, beleidsmatig gedogen en/of anderszins reguleren daarvan. Alleen voor CSC’s geldt niettemin dat een staat die dergelijke clubs alleen feitelijk en dus ongereguleerd ongemoeid laat, minder gauw in strijd komt met de verplichtingen ingevolge de VN-drugsverdragen en het Europees recht.


De slotconclusie is daarmee dat het legaliseren, decriminaliseren, beleidsmatig gedogen en/of anderszins reguleren van cannabisteelt voor de recreatieve gebruikersmarkt niet toelaatbaar is onder de VN-drugsverdragen en onder het Europees recht. Dit betekent aldus ook dat er gelet op de internationale verplichtingen inzake drugsbestrijding, geen ruimte is voor regulering van cannabisteelt ter bevoorrading van coffeeshops, in het verband van CSC’s of via andere modaliteiten die strekken tot recreatief gebruik door derden.


Reflectie - Op basis van de onderzoeksvraag ‘Of het legaliseren, decriminaliseren, beleidsmatig gedogen en/of anderszins reguleren van cannabisteelt voor recreatief gebruik toelaatbaar is onder het internationale recht?’ zou daaronder makkelijk ook het verdrag van de rechten voor de mens gerekend kunnen worden. Hebben de onderzoekers de opdrachtgevers daarop in een eerdere fase hebben, of was daartoe pas ruimte nadat prof. Van Kempen daarover met gemeenten in gesprek raakte wat leidde tot een nieuwe opdracht met als resultaat rapport van Kempen II? Daarbij kon wel vanuit positieve mensenrechten worden gekeken naar de vraag i.z regulering van de teelt t.b.v recreatief gebruik. Bij het van Kempen I rapport was duidelijk dat er een strikte uitleg n.a.v internationale verdragen op drugsbestrijding de uitdrukkelijke bedoeling was en daarmee regulering niet mogelijk, wat evenzeer over het Asser-rapport uit 2005 wordt beweerd (zie prof. Brouwer bij ICN, 2014). Nu het kabinet Rutte III uniforme wietteeltexperimenten heeft aangekondigd, die bovendien van een wetenschappelijk karakter zullen worden voorzien en bekend is dat op dit eerste rapport een politieke sturing onder het bewind van minister Opstelten is geweest, geeft dat ook te denken over de formulering door van Kempen en Federova dat er geen gecontroleerde teelt onder de uitzondering van ‘medische en wetenschappelijke doeleinden’ mogelijk zou zijn onder de drugsverdragen. Medisch of geneeskundig zou niet opgevat kunnen worden als t.b.v de volksgezondheid, terwijl het hogere volksgezondheidsdoel wel het motief voor de scheiding van de markten betreft voor het gedoogbeleid. Op p 45 staat immers: “roept de vraag op of het zonder kwaliteitscontrolesysteem toestaan van consumentenverkoop van cannabis voor recreatief gebruik niet in strijd is met de verplichtingen tot bescherming onder het recht op gezondheid”.

Ook Ybo Buruma van de Hoge Raad heeft eerder op dit volksgezondheidsaspect gewezen als het aankomt op het legitimeren van de regulering van de achterdeur: “Als Nederland vasthoudt aan de lijn dat misdaadbestrijding en volksgezondheid zo doeltreffend mogelijk worden bediend ais de productie en aanvoer van wiet ten behoeve van streng gecontroleerde coffeeshops wordt gereguleerd, dan is dat naar ons oordeel ook internationaal verdedigbaar. Daarmee nemen wij afstand van de mening dat een wetswijziging die ertoe strekt de softdrugsketen te reguleren of een experiment daartoe mogelijk te maken, niet mogelijk is binnen bet bestaande juridische kader van internationale en Europees-rechteiijke verplichtingen.”
Bron: Drugtext, april 2010: http://www.drugtext.nl/Cannabis/internationaal-en-europees-perspectief.html

Naast een bulk aan kamervragen vanwege de Nieuwsuur-uitzending blijkt uit de brief van 19-12-2017 van Minister Grapperhaus dat mr. Overgaauw bereid is gevonden het voorzitterschap van een onderzoekscommissie naar de politieke sturing op internationaal recht en cannabis I en het onderzoek naar het B en I criterium op zich te nemen.
Zie Rijksoverheid, 19-12-2017: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2017Z18359&did=2017D37880

 

Van Kempen I, Radboud Universiteit, maart 2014
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-307875

 

Nieuws

Video's