Nota gemeente Amsterdam t.b.v afdoening moties m.b.t regulering van de teelt.

Op 6 november 2014 heeft de Amsterdamse gemeenteraad moties aangenomen om wietteelt te willen gaan reguleren in Amsterdam en Nederland en dat middels een stevigere lobby met andere gemeenten op korte termijn onontkoombaar te maken bij de rijksoverheid. Tevens: voorbereidingen te treffen voor het kunnen starten van een experiment met gereguleerde wietteelt, uitgevoerd door erkende private partijen, geselecteerd door de gemeente en binnen de kaders van de wet, waarbij de gemeente de private telers ondersteuning en advies biedt (met oog op de ontwikkelende juridische kaders aangaande gereguleerde wietteelt en gezondheidsdoelstellingen) maar overdrachten van publieke middelen uitsluit, zoals subsidies of het vergoeden van een KvK-inschrijving (VVD-fractie vereiste) en daarin zowel het beperken van gezondheidsrisico’s te betrekken, evenals het tegengaan van criminaliteit.


In de moties zijn beperken van gezondheidsrisico’s en het tegengaan van criminaliteit genoemd bij een eventueel experiment met gereguleerde wietteelt. Naast deze doelen zouden volgens het College van B&W hierbij ook een aantal andere doelen in meer of mindere mate bereikt kunnen worden met het reguleren van de achterdeur, zoals:
1. een einde maken aan de spagaat van gedoogde verkoop en illegale inkoop met risico op vermenging met georganiseerde criminaliteit met consequenties voor de vergunning/gedoogverklaring van de coffeeshopexploitanten en een lucratieve ‘legale’ afzetmarkt voor criminelen;
2. een einde maken aan het verbod op opslag, vervoer of meer dan 500 gram toegestane handelsvoorraad, zodat de voorraad beter is afgestemd op de vraag;
3. de grensoverschrijdende drugshandel bestrijden;
4. bescherming woonomgeving tegen risico’s wietplantages;
5. het opheffen van de beknotting van de vrijheid van burgers ten opzichte van de overheid;
6. handhavingscapaciteit gerichter inzetten;
7. belastingheffing op teelt mogelijk maken.


In de notitie van 24 pagina’s door de gemeente Amsterdam wordt het Enkelvoudige verdrag inzake verdovende middelen (verder: het Enkelvoudig Verdrag) genoemd. Deze stamt uit 1961 (gewijzigd in 1972) en vormt op internationaal niveau tot op heden de voornaamste regeling op het gebied van drugsbeleid. Artikel 4 van het Enkelvoudig Verdrag verplicht – met inachtneming van de bepalingen van het verdrag – niet alleen tot het strafbaar stellen van drugsgerelateerde activiteiten, maar schrijft ook voor dat vanwege dit soort activiteiten gehandhaafd moet worden. De enige uitzondering die gemaakt wordt betreffen activiteiten met een geneeskundig en wetenschappelijk doel. Ook wordt het verdrag inzake tegengaan van sluikhandel genoemd en het voorbehoud dat Nederland maakte op het gebied van handhaving t.b.v het gedoogbeleid voor bezit & verkoop. Betoogd wordt dat dit dan ook voor transport en productie zou kunnen gelden. Verder wordt in deze notie aangekondigd dat de gemeente Amsterdam 5000 euro bijdraagt aan de nieuwe studie door prof van Kempen betreft de mensenrechten in verhouding tot internationale drugsverdragen. Interessant in retrospectief is dat het College het van Kempen I onderzoek uit 2014 noemt ter overweging dat toestaan van reguleren van de teelt op basis van Europese jurisprudentie niet zou kunnen en inmiddels bekend is vanwege de WODC-Nieuwsuur uitzending dat deze uitkomsten door V&J gemanipuleerd zijn waarbij deze op verzoek van de tweede kamer en Minister Grapperhaus door een onafhankelijke commissie onderworpen worden aan een wetenschappelijke toets, ook betreft de studie over het Besloten club en ingezetenen-criterium, waarover bovendien een omvangrijk aantal kamervragen gesteld is.


Coffeeshopbeleid wordt lokaal vastgesteld waarbij de kaders van de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van belang zijn. Het College noemt hierbij frappant genoeg in een voetnoot het waarschuwingsbeleid in combinatie met de verruiming van de handelsvoorraad van 500 gram naar 1000 gram in Haarlem expliciet, waarover nog geen jurisprudentie beschikbaar is m.b.t de haalbaarheid van dit ‘coffeeshopkeurmerk-beleid’. Qua jurisprudentie wordt hierbij casuistiek aangehaald waarbij de handelsvoorraad van 500 gram wordt overschreden.
Betreft een lobby voor gedogen van de uitbreiding van de handelsvoorraad, stashplekken en transport zal volgens het College in elk geval vereist worden dat de bedrijfsadministratie van een coffeeshop zo transparant en op orde is, dat onomstotelijk blijkt dat de hoeveelheid in opslag aanwezige hennep de handelsvoorraad van die coffeeshop betreft van bijvoorbeeld één maand.


Verder gaat de notitie vanwege de aangenomen moties in op cannabis social clubs waarbij gezamenlijk cannabis wordt gekweekt via een club-model, uitgaand van 5 gedoogde planten per persoon. Een experiment met een csc zou volgens het College de meeste kans van slagen hebben aangezien het hierbij geen uitbreiding van het gedoogbeleid betreft. Er zijn diverse varianten mogelijk, waarbij de opbrengst op non-profit basis verstrekt wordt aan de social cannabis club leden en er zelfs kan worden gedacht dat de opbrengst die overblijft aan coffeeshops kan worden geleverd. Volgens het College is er gelet op ontwikkelingen in Spanje internationaal meer draagvlak voor regulering via csc’s dan voor regulering van de achterdeur door een vergunningenstelsel, waarbij zelfs wordt gesteld dat csc’s op termijn coffeeshops zouden kunnen vervangen, refererend aan de publicatie ‘De derde weg’ door prof Fijnaut en de Ruyver (2014) en de aangenomen moties in de Amsterdamse gemeenteraad. Echter worden in deze notitie wel de nodige kanttekeningen geplaatst bij een csc-experiment, zoals de toegankelijkheid van csc’s voor toeristen, vooral als het om incidenteel gebruik gaat, de positie van het OM die de gemeenschappelijke teelt qua omvang wel onder bedrijfsmatige teelt schaart en ook of csc wel aan de vraag naar diverse variëteiten kunnen voldoen. Ook heeft VWS een eerdere aanvraag van CSC Utrecht voor eren opiumontheffing terugverwezen omdat niet aan alle gevraagd eisen werd voldaan en er geen uitzondering zou zijn betreft eigen gebruik.


Als in Amsterdam een dergelijk csc-experiment zal plaatsvinden, kan worden gekeken naar aspecten als: is er behoefte aan een social cannabis club waarbij leden voor eigen gebruik hun planten laten kweken door een club? Is de kwaliteit gelijk aan de huidige te verkrijgen producten? Ontstaat er geen overlast of openbare ordeprobleem? Levert de cannabis social club een gedeeltelijke vervanging van de illegale hennepteelt op? Tijdens en na zo’n experiment zal moeten worden nagedacht over de toegankelijkheid voor gebruikers die geen lid zijn van een cannabis social club, zoals toeristen en gebruikers met principiële bezwaren tegen registratie.
Reflectie - Door de verwijzing naar het rapport internationaal recht en cannabis van van Kempen en Federova en ook de inhoudelijke strekking van het vertoog is duidelijk dat de gemeente Amsterdam voortborduurt op de conclusies uit dat rapport m.n als het gaat om CSC’s omdat het gemeenschappelijke teelt voor eigen gebruik betreft, met bovendien een verwijzing naar Fijnaut. Conclusies dat de achterdeur vanwege internationale verdragen niet te reguleren zou zijn waarover nu in retrospectief opzicht door de Nieuwsuur-uitzending zoveel over te doen is geeft mogelijk ook de neiging om met een rode stift door deze Amsterdamse notitie te gaan.
Betreft strofe over CSC ‘s, heeft Lisa Lankes van Coffeeshop The Pink uit Eindhoven bij het regulator-seminar op 3-3 2017 in Amsterdam het volgende gesteld: ‘Cannabis social club: een vereniging kiest elk jaar een nieuw bestuur en voorzitter. Het wordt een heel gedoe voor de burgemeester om elk jaar opnieuw het vertrouwen in een bestuur te hebben en met de Wet Bibob kan zowat elk jaar een uitgebreid onderzoek starten naar de bestuursleden. Ook een ‘vijandige’ overname ligt in het verschiet. Spaanse praktijk: eeuwig blijvende voorzitters (eigenaars) of een werkmaatschappij die de centen beheerd maar geen vergunning van de gemeente nodig heeft. Samengevat zijn het om juridische redenen schijnconstructies en de grondwettelijke status van een vereniging blijkt geen onderdeel van deze verenigingen. Anderzijds, indien zo’n vereniging daadwerkelijk functioneert als het zou moeten heeft de burgemeester door de frequente personele wisseling geen zicht wie het voor het vertellen heeft in de club’.

Bron: College van B&W Amsterdam, november 2014 (pdf via mail Maurice Veldman/BCD-secretariaat).