Hoofd Menu

Gemeentelijk beleid

Gemeenten zijn vrij om het lokale coffeeshopbeleid zelf in te vullen, mits zij binnen de landelijke kaders blijven. Zij kunnen kiezen uit verschillende beleidsvormen en deze, indien gewenst, nader specificeren.

Beleidsvormen en gevoerd beleid

Gemeenten in Nederland kunnen verschillende beleidsvormen hanteren voor coffeeshops. Er kan grofweg onderscheid worden gemaakt tussen drie beleidsvormen: het voeren van geen beleid; een nulbeleid; of een gedoogbeleid.

Geen, nul-, of gedoogbeleid In vergelijking met de voorgaande meting is wat betreft de beleidsvorm nauwelijks wat veranderd. Eind 2016 hebben 272 (69,7%) van de 390 gemeenten een nulbeleid (figuur 3.1). In deze gemeenten worden geen verkooppunten van softdrugs gedoogd. Dit percentage is – vanwege het teruglopende aantal Nederlandse gemeenten – gelijk aan dat van de vorige meting, terwijl het toen om 281 gemeenten ging. Net als twee jaar geleden hebben 103 gemeenten (26,4% van alle gemeenten) een beleid waarbij coffeeshops worden gedoogd. Verder voeren 15 (3,8%) gemeenten geen beleid op het gebied van coffeeshops, hetgeen er vier minder zijn dan de 19 (4,7%) bij de vorige meting. Er zijn momenteel geen coffeeshops in deze gemeenten gevestigd, maar de gemeente heeft (nog) niet formeel vastgelegd dat verkooppunten van softdrugs niet worden gedoogd.

Nadere specificaties van gedoogbeleid

Gemeenten met een beleid waarbij coffeeshops worden gedoogd kunnen het beleid nog nader specificeren met een aantal elkaar niet uitsluitende beleidsopties:

a. Maximumbeleid: er wordt een maximum aantal coffeeshops gehanteerd. Sommige gemeenten met een maximumbeleid hanteren een afnemend maximum. Het maximum aantal wordt naar beneden bijgesteld zodra een coffeeshop om wat voor reden dan ook verdwijnt.

b. Verminderingsbeleid: het aantal coffeeshops dient, al dan niet door een actief beleid, op termijn te worden teruggedrongen. De gemeente heeft daarbij nog geen (nieuw) maximum aantal vastgesteld.

c. Uitsterfbeleid: het aantal coffeeshops dient, al dan niet door een actief beleid, op termijn te worden teruggedrongen. Deze optie lijkt sterk op een verminderingsbeleid. Het verschil is echter dat bij een uitsterfbeleid wel een (nieuw) maximum aantal is vastgelegd of dat is aangegeven welke coffeeshops op termijn dienen te verdwijnen (bijvoorbeeld alle coffeeshops buiten een bepaald gebied). Ook kan het zijn dat de gemeente naar een nulbeleid toe wil.

d. Ontmoedigingsbeleid: de gemeente probeert uitsluitend door het stellen van (nieuwe) voorwaarden de ongewenste vestiging van nieuwe coffeeshops tegen te gaan en het aantal bestaande coffeeshops terug te dringen.

e. Stichtingsmodel: er zijn één of meerdere gecontroleerde, niet-commerciële, verkooppunten van cannabis, ondergebracht in een daartoe aangewezen stichting.

f. Regionale afspraken: er zijn in regionaal verband afspraken gemaakt over het te voeren coffeeshopbeleid.

Lokaal coffeeshopbeleid

Sinds de invoering van artikel 13b Opiumwet in april 1999 moet het lokale coffeeshopbeleid (mede) worden gebaseerd op dit artikel. Uit de jurisprudentie blijkt dat het handhaven van vastgesteld coffeeshopbeleid sindsdien eenvoudiger is geworden, mits het beleid goed gemotiveerd is.

Op gedoogde coffeeshops zijn ook de hiervoor genoemde AHOJGI-criteria van het OM van toepassing. Deze voorwaarden gelden voor alle coffeeshops in Nederland. Het is niet mogelijk om als gemeente hiervan af te wijken. Aanvullende voorwaarden zijn wel mogelijk.

Volgens de richtlijnen van het OM moet de lokale driehoek het coffeeshopbeleid bespreken. Het coffeeshopbeleid wordt uitgewerkt en neergelegd in gemeentelijk beleid.
Het OM werkt bij de totstandkoming en handhaving van lokaal coffeeshopbeleid samen met de lokale autoriteiten. In het kader van een in de lokale driehoek gezamenlijk uit te werken integraal beleid ten aanzien van coffeeshops, dient tot een evenwichtige inzet van de verschillende beheersingsinstrumenten te worden gekomen. Bron: Aanwijzing Opiumwet

De gemeente, politie en het OM dragen elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid bij aan een samenhangend en effectief coffeeshopbeleid. In dit beleid worden de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bevoegdheden op elkaar afgestemd. Elk van de partijen zorgt voor een deel van de handhaving: de officier van justitie kan vervolgen, maar kan een coffeeshop niet sluiten. De burgemeester kan wel sluiten, maar niet strafrechtelijk vervolgen. De politie kan pas effectief optreden als duidelijkheid bestaat over de capaciteit die vereist is voor de bestuursrechtelijke handhaving en de opsporing van strafbare feiten.